Waarom grote technologische revoluties altijd hetzelfde patroon volgen deel 2 - De infrastructuur achter de revolutie

,

Foto die overgang toont van oude tijden vroeger naar nu

In het eerste deel van deze serie zagen we dat grote technologische revoluties zelden beginnen met een spectaculaire doorbraak die de wereld van de ene op de andere dag verandert. Vrijwel altijd verloopt de ontwikkeling in twee fasen. Eerst is er de uitvinding. Daarna volgt een veel langere periode waarin de noodzakelijke infrastructuur wordt gebouwd. Pas dan ontstaat de maatschappelijke en economische omwenteling die we later een ‘revolutie’ noemen. Dat patroon is zo opvallend consistent dat het de moeite waard is om de geschiedenis nog eens langs die meetlat te leggen.


De stoommachine veranderde niet de wereld
Wanneer begon de Industriële Revolutie? De meeste mensen zullen antwoorden: met de stoommachine. Toch is dat antwoord maar gedeeltelijk juist.

Al in het begin van de achttiende eeuw werden de eerste stoommachines gebruikt om water uit mijnen te pompen. Dat was een nuttige toepassing, maar de maatschappelijke impact bleef beperkt. De machines waren groot, duur en inefficiënt. Ze stonden vrijwel uitsluitend bij steenkoolmijnen.

Pas tientallen jaren later verbeterde James Watt het ontwerp ingrijpend. Zijn stoommachine gebruikte minder brandstof en werd daardoor economisch aantrekkelijk voor fabrieken. Maar zelfs toen veranderde de wereld niet onmiddellijk.

De echte revolutie begon pas toen overal fabrieken verschenen, kanalen werden gegraven en uiteindelijk spoorwegen werden aangelegd. Grondstoffen konden sneller worden vervoerd, producten bereikten nieuwe markten en complete steden groeiden uit tot industriële centra.

Achteraf herinneren we ons vooral de stoommachine. Maar zonder spoorlijnen, bruggen, stations, havens en een enorme steenkoolindustrie was zij nooit uitgegroeid tot de motor van de industriële samenleving.

Elektriciteit bracht pas licht toen het net er lag
Hetzelfde gebeurde met elektriciteit. Aan het einde van de negentiende eeuw was de elektrische gloeilamp een technisch wonder. Toch konden slechts weinig mensen ervan genieten. Er was immers nog nauwelijks een elektriciteitsnet.

Dat betekende dat complete steden moesten worden voorzien van elektriciteitscentrales, transformatoren, kabels en schakelsystemen. Huizen moesten worden aangepast en fabrieken opnieuw ontworpen. Juist dat laatste wordt vaak vergeten.

Fabrieken uit de stoomtijd waren gebouwd rondom één grote machine die via assen en riemen alle andere machines aandreef. Elektriciteit maakte het mogelijk om iedere machine een eigen elektromotor te geven. Daardoor konden fabrieken efficiënter worden ingericht, veiliger werken en veel gemakkelijker uitbreiden.

De grootste economische winst kwam dus niet doordat elektriciteit bestond, maar doordat bedrijven hun manier van werken volledig veranderden. Dat kostte tientallen jaren.

De auto vroeg om veel meer dan een motor
Ook de auto volgde precies dezelfde ontwikkeling. Aan het begin van de twintigste eeuw waren auto’s vooral speeltjes voor welgestelde liefhebbers. Wegen waren vaak onverhard, tankstations bestonden nauwelijks en garages waren een zeldzaamheid.

De grote doorbraak kwam pas toen overheden massaal investeerden in infrastructuur. Wegen werden verbeterd, bruggen gebouwd, verkeersregels ingevoerd en een netwerk van tankstations ontstond.

Daarmee veranderde niet alleen het vervoer. Steden groeiden anders. Forensen konden verder van hun werk wonen. Toerisme nam toe. Complete industrieën ontstonden rond onderhoud, logistiek, verzekeringen en wegenbouw. Opnieuw was de auto slechts het begin van een veel grotere verandering.

Computers waren eerst vooral rekenmachines
Iets vergelijkbaars gebeurde met computers. De eerste elektronische computers uit de jaren veertig vulden complete zalen en werden vooral gebruikt voor wetenschappelijke berekeningen en militaire toepassingen. Voor de gemiddelde burger hadden zij nauwelijks betekenis.

In de decennia daarna werden computers kleiner, goedkoper en betrouwbaarder. Toch duurde het nog lang voordat zij het dagelijks leven gingen bepalen. Dat veranderde pas toen softwarebedrijven ontstonden, bedrijven hun administratie digitaliseerden, scholen computeronderwijs gingen geven en miljoenen mensen thuis een pc kregen. Maar zelfs toen was de revolutie nog niet compleet.

Internet maakte computers pas echt waardevol
De computer veranderde vooral hoe één persoon werkte. Internet veranderde hoe miljoenen mensen samenwerkten.

Opnieuw begon alles relatief klein. Universiteiten wisselden gegevens uit via computernetwerken. Bedrijven stuurden e-mails. Het World Wide Web maakte informatie toegankelijk voor een breed publiek. Maar opnieuw bleek de technologie slechts één onderdeel van het verhaal.

Overal werden glasvezelkabels aangelegd. Datacenters verschenen. Mobiele netwerken werden steeds sneller. Smartphones brachten internet letterlijk in iedere broekzak. Pas toen ontstonden online winkelen, streamingdiensten, sociale media, cloudopslag, videobellen en digitale dienstverlening.

We zeggen vaak dat internet de wereld veranderde. Misschien is het nauwkeuriger om te zeggen dat de combinatie van internet én een wereldwijde digitale infrastructuur de wereld veranderde.

Iedere revolutie bouwt voort op de vorige
Misschien is dat wel het meest fascinerende inzicht. Geen enkele technologische revolutie begint helemaal opnieuw. Elektriciteit maakte betere fabrieken mogelijk. Die fabrieken produceerden betere machines. Die machines maakten massaproductie van auto’s mogelijk. De auto stimuleerde de aanleg van wegen. Computers hielpen vervolgens bij het ontwerpen van wegen, vliegtuigen en fabrieken. Internet verbond die computers wereldwijd.

En nu draait vrijwel iedere AI-toepassing op datzelfde internet, in datacenters die zonder betrouwbare elektriciteitsvoorziening eenvoudigweg niet zouden kunnen bestaan. Iedere revolutie gebruikt dus de infrastructuur van haar voorganger als fundament.

Misschien herkennen we het patroon te laat
Opvallend genoeg realiseren mensen zich vaak pas achteraf dat zij midden in een technologische omwenteling leefden. Toen de eerste spoorlijnen werden aangelegd, zag bijna niemand de komst van een industriële wereldorde. Toen de eerste elektriciteitscentrales verschenen, voorspelde vrijwel niemand dat iedere woning ooit tientallen elektrische apparaten zou bevatten. Toen de eerste computers werden verkocht, verwachtte bijna niemand dat vrijwel iedereen tientallen jaren later permanent een krachtige computer in zijn broekzak zou dragen.

Misschien kijken wij vandaag op dezelfde manier naar kunstmatige intelligentie. We discussiëren vooral over chatbots, slimme zoekmachines en automatisch gegenereerde afbeeldingen. Dat zijn de zichtbare toepassingen. Maar als de geschiedenis iets leert, dan is het dat de zichtbare toepassingen zelden het belangrijkste verhaal vertellen. Het echte verhaal speelt zich meestal af onder de oppervlakte. Daar waar nieuwe infrastructuur ontstaat, waar investeringen worden gedaan en waar de voorwaarden worden gecreëerd voor de volgende fase van economische groei.

Misschien zijn de datacenters, elektriciteitsnetten, chipfabrieken en glasvezelverbindingen die vandaag overal worden gebouwd wel net zo belangrijk als de AI-systemen die erop draaien. En misschien is dat precies het moment waarop een uitvinding verandert in een revolutie.

In het derde deel kijken we daarom naar de vraag die momenteel boven de technologiesector hangt: lijkt kunstmatige intelligentie eigenlijk meer op software, of juist op elektriciteit? Het antwoord zou wel eens veel kunnen zeggen over de toekomst van onze digitale samenleving.

Marco Mekenkamp 120x120Over de auteur

Marco Mekenkamp is eindredacteur van PC-Active. Dit 108 pagina's tellende magazine verschijnt elke twee maanden en is te koop in de winkel. Leden van HCC krijgen PC-Active zes keer per jaar thuisgestuurd als onderdeel van het HCC-lidmaatschap.

'Meld je aan voor de nieuwsbrief' van HCC!artificieleintelligentie

'Abonneer je nu op de nieuwsbrief en blijf op de hoogte van onze activiteiten!'

Aanmelden