Waarom grote technologische revoluties altijd hetzelfde patroon volgen deel 1

,

Foto die overgang toont van oude tijden vroeger naar nu

Technologie verandert de wereld voortdurend. Van de stoommachine en elektriciteit tot computers en internet: iedere generatie maakt grote technologische veranderingen mee. Toch lijkt iedere nieuwe revolutie op het moment zelf uniek en moeilijk te voorspellen. Maar wie verder terugkijkt in de geschiedenis, ontdekt een opvallend patroon. Grote technologische doorbraken ontstaan zelden alleen door een briljante uitvinding. Er is altijd meer nodig: nieuwe infrastructuur, grote investeringen, veranderende manieren van werken en vooral mensen die leren omgaan met de nieuwe mogelijkheden. In deze vijfdelige achtergrondserie onderzoekt HCC hoe technologische revoluties ontstaan, waarom sommige innovaties de samenleving fundamenteel veranderen en wat de opkomst van kunstmatige intelligentie ons kan leren over de toekomst.


Wie terugkijkt op de geschiedenis van technologie, ziet vaak een indrukwekkende lijst met uitvindingen. De stoommachine, de gloeilamp, de auto, de computer, internet en tegenwoordig kunstmatige intelligentie. We spreken graag over ‘baanbrekende innovaties’ die de wereld in één klap veranderden. Maar klopt dat beeld eigenlijk wel?

Wie iets dieper graaft, ontdekt een opmerkelijk patroon. De uitvinding zelf is zelden de echte revolutie. Vrijwel iedere grote technologische doorbraak begint juist heel bescheiden. Soms wordt een uitvinding zelfs jarenlang gezien als een aardige curiositeit zonder grote maatschappelijke betekenis. Pas wanneer er een compleet ecosysteem omheen ontstaat, verandert een uitvinding in een revolutie. Misschien is dat wel de belangrijkste les uit tweehonderd jaar technologische geschiedenis.

De mythe van de geniale uitvinder
We houden van verhalen over geniale uitvinders. James Watt en de stoommachine. Thomas Edison en de gloeilamp. De gebroeders Wright en het vliegtuig. Tim Berners-Lee en het World Wide Web. Tegenwoordig worden ook de oprichters van AI-bedrijven vaak in dat rijtje geplaatst. Het zijn prachtige verhalen, maar ze vertellen slechts een deel van de geschiedenis.

Geen enkele van deze uitvindingen veranderde de wereld op het moment dat zij werd gepresenteerd. Sterker nog: veel tijdgenoten zagen de betekenis er nauwelijks van in. Niet omdat zij kortzichtig waren, maar omdat een nieuwe technologie pas echt waarde krijgt als de samenleving er klaar voor is.

Een gloeilamp zonder elektriciteitsnet is weinig meer dan een laboratoriumexperiment. Een auto zonder wegen, tankstations en garages is nauwelijks bruikbaar. Een computer zonder software en communicatienetwerken blijft een dure rekenmachine.

Dat klinkt achteraf vanzelfsprekend, maar juist daarin schuilt een belangrijk inzicht. Technologie verandert de samenleving niet alleen door de uitvinding zelf, maar vooral door alles wat daarna wordt gebouwd.

De onzichtbare revolutie
Historici spreken vaak over de Industriële Revolutie alsof deze begon met de uitvinding van de stoommachine. In werkelijkheid duurde het tientallen jaren voordat de economische gevolgen echt zichtbaar werden. Dat had een eenvoudige oorzaak.

Een nieuwe machine alleen verandert weinig. Er moesten fabrieken worden gebouwd, spoorlijnen worden aangelegd, havens uitgebreid, steenkool worden gewonnen en duizenden vakmensen worden opgeleid. Pas toen die hele infrastructuur aanwezig was, begon de productiviteit werkelijk explosief te stijgen.

Hetzelfde patroon herhaalde zich een eeuw later met elektriciteit. De eerste elektriciteitscentrales verschenen al aan het einde van de negentiende eeuw. Toch bleven veel fabrieken jarenlang werken zoals zij dat met stoommachines gewend waren. Machines stonden nog steeds opgesteld rond één centrale aandrijfas, omdat gebouwen daarvoor waren ontworpen.

Pas toen fabrieken volledig opnieuw werden ingericht en iedere machine een eigen elektromotor kreeg, ontstond de enorme efficiëntieslag die wij nu met elektriciteit associëren. Opnieuw bleek de uitvinding niet de revolutie te zijn. De infrastructuur én de manier waarop mensen die infrastructuur gingen gebruiken maakten uiteindelijk het verschil.

Waarom oorlogen vaak als aanjager worden gezien
Dat verklaart ook waarom oorlogen zo vaak worden genoemd als motor achter technologische vooruitgang.

De Tweede Wereldoorlog bracht enorme ontwikkelingen voort op het gebied van radar, straalmotoren, computers en kerntechnologie. Toch waren veel van die ideeën al jaren eerder bedacht. Wat de oorlog veranderde, was niet zozeer de wetenschap zelf, maar de omstandigheden waaronder die wetenschap kon worden toegepast.

Overheden stelden vrijwel onbeperkte budgetten beschikbaar. Wetenschappers werkten intensief samen. Fabrieken draaiden op volle capaciteit. Problemen die normaal gesproken jaren onderzoek zouden vragen, moesten binnen enkele maanden worden opgelost. De oorlog fungeerde daarmee als een enorme versneller van een proces dat vaak al in gang was gezet.

Hetzelfde zagen we recent tijdens de coronapandemie. Technologieën zoals mRNA-vaccins ontstonden niet in 2020. Onderzoekers werkten er al tientallen jaren aan. De pandemie zorgde er echter voor dat overheden, universiteiten en bedrijven wereldwijd tegelijkertijd hetzelfde doel nastreefden. Daardoor verdwenen veel financiële en organisatorische drempels die innovatie normaal gesproken afremmen.

Een patroon dat steeds terugkeert
Wie deze voorbeelden naast elkaar legt, ziet een verrassend consistente volgorde. Eerst ontstaat een nieuwe technologie. Vervolgens duurt het vaak jaren voordat duidelijk wordt hoe groot de mogelijkheden werkelijk zijn. Daarna beginnen overheden, bedrijven en investeerders de noodzakelijke infrastructuur aan te leggen. Pas wanneer die infrastructuur volwassen wordt, verandert ook de samenleving.

Het is alsof iedere technologische revolutie uit twee verschillende fasen bestaat. De eerste fase draait om de uitvinding. De tweede fase draait om de wereld die nodig is om die uitvinding bruikbaar te maken. Juist die tweede fase krijgt meestal veel minder aandacht, terwijl zij uiteindelijk veel bepalender is voor onze economie en ons dagelijks leven.

AI als nieuwste hoofdstuk
Dat brengt ons bij kunstmatige intelligentie. Vrijwel alle aandacht gaat momenteel uit naar chatbots, beeldgeneratoren en slimme assistenten. Dat is begrijpelijk, want het zijn de zichtbare toepassingen. Toch zou het best kunnen dat historici over enkele decennia concluderen dat deze toepassingen niet de belangrijkste ontwikkeling van onze tijd waren.

Misschien zullen zij vooral kijken naar iets anders. Naar de enorme datacenters die overal worden gebouwd. Naar de groeiende vraag naar elektriciteit. Naar investeringen in hoogspanningsnetten, chipfabrieken, glasvezelverbindingen en nieuwe vormen van energieopwekking.

Met andere woorden: naar de infrastructuur. Want als de geschiedenis ons één ding leert, dan is het dit: iedere grote technologische revolutie begint met een uitvinding, maar wordt pas een echte revolutie wanneer een samenleving besluit alles te bouwen wat nodig is om die uitvinding werkelijk tot bloei te laten komen.

Misschien zijn we precies nu getuige van zo’n omslagpunt.


 

'Meld je aan voor de nieuwsbrief' van HCC!artificieleintelligentie

'Abonneer je nu op de nieuwsbrief en blijf op de hoogte van onze activiteiten!'

Aanmelden